| ||||||||||
Christelijke identiteit en wiskundeDoor Robert Doornenbal, docent aan de Christelijke Hogeschool Ede In dit artikel wil ik ingaan op drie aspecten van wiskunde die in verband kunnen worden gebracht met het christelijk geloof. Dit zijn de volgende: (a) de geschiedenis, (b) de schoonheid en (c) de verbazende effectiviteit van de wiskunde. Naar mijn inschatting zijn deze thema’s ook interessant voor hen die zich in eerste instantie niet zo geboeid weten door wiskundige vraagstukken. Ontstaan van wetenschapDrie historische thema’s zijn vooral interessant als het gaat om wiskunde en christelijke identiteit. In de eerste plaats betreft dit de nauwe verbinding tussen het ontstaan van de moderne wetenschap en de cruciale rol van de wiskunde daarin, gekoppeld aan een christelijk wereldbeeld. Opvallend is namelijk dat in verscheidene culturen bouwstenen te vinden zijn van wiskunde en wetenschap. Denk
bijvoorbeeld aan de Egyptische, Babylonische, Chinese, Indiase en Griekse culturen. Men kwam tot indrukwekkende
architectonische, medische en technische prestaties, maar niet tot fundamenteel onderzoek van de natuur. Wiskunde en (christelijk) geloofEen tweede thema bestaat uit het kennismaken met christelijke wetenschappers die gebruikmaakten van wiskunde.
Zo is het bijvoorbeeld inspirerend om kennis te maken met Johannes Kepler (1571-1630), een Duitse Lutheraan, die
als een van de eersten gebruikmaakte van algoritmen om de banen die planeten volgen te berekenen. Prachtig is het
hoe hij God prijst om zijn machtige werken in de kosmos in het algemeen en in de geometrie in het bijzonder. ‘Een
goddelijk geluid vult de ganse wereld,’ aldus Kepler, die hiermee tegelijk verwijst naar de verbazingwekkende
wiskundige structuren die ook de muziek kent (cit. In Nickel, 117). Een derde historische invalshoek laat zien dat wiskunde en geloofsopvattingen vaak samengaan, ook al denken
veel mensen dat wiskunde daar helemaal niets mee te maken heeft. Ik noem een aantal voorbeelden. Gottlob Frege en Bertrand Russell (aanvang 20e eeuw) geloofden dat alle wiskunde terug te brengen was tot logica. De Nederlander Luitzen Brouwer (1882-1966) richtte zijn ‘intuďtionistische’ school op vanuit het geloof dat mensen een fundamentele intuďtie voor natuurlijk getallen hebben. Deze getallen waren in zijn opvatting de enige legitieme basis waarop wiskundige zekerheden konden worden gebouwd. David Hilbert (1862-1943) leidde de ‘formalistische’ school vanuit het principe: de wiskunde kent geen vooronderstellingen. Echter, dit is een stelling die zichzelf niet wiskundig laat bewijzen, maar die zelf in ‘geloof’ wordt aanvaard (Howell & Bradley, 364). SchoonheidSchoonheid verwijst naar waarheid. Dat geldt in de kunst, maar evenzeer in de wetenschap. Over zijn eigen
theorie schreef de natuurkundige Werner Heisenberg dat deze ‘direct overtuigend was dankzij de compleetheid en
abstracte schoonheid ervan’ (cit. In Dubay, 114). Een voorbeeld van een wonderlijk mooie getallenreeks is de zogenaamde Fibonacci-sequentie, die al bekend was in
de 13e eeuw. Deze reeks ziet er als volgt uit: 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55, 89, 144, 233, 377… Kenmerkend
hierin is dat elk getal de som is van de twee voorgaande getallen. Als je de verhouding tussen de verschillende
getallen analyseert, kom je uit op het getal 1, 618. Ook de Fibonacci-nummers komen we overal tegen: in de spiraal vormen van een menselijk oor, de pitten van een
zonnebloem, de schubben van een dennenappel, een zeeschelp, een tornado, een sterrenstelsel, en zelfs in de manier
waarop het toetsenbord van een piano is samengesteld. De honingraatEr zijn veel meer bijzonderheden die wiskundigen op het spoor zijn gekomen. Neem nu een verschijnsel als de
regenboog. Het pad dat licht aflegt door een waterdruppel wordt bepaald door de wetten van de geometrische optiek.
Deze wetten zijn buitengewoon fraai en subtiel – de wiskunde hiervan ‘glanst’ als de regenboog zelf! Het geeft te denken dat ‘eenvoudige’ bijen in staat zijn iets te maken dat wiskundig gezien fascinerend is en dat niet valt te verbeteren. Is dit te danken aan een evolutionaire proces, of mogen wij hier een Ontwerper achter vermoeden? Het ontdekken van ‘ontwerp’ in de werkelijkheid is ook een dankbaar en mooi studieobject voor de wiskunde! (Zie het hoofdstuk ‘The possibility of detecting intelligent design’, in Howell & Bradley). De effectiviteit van de wiskundeIn 1960 schreef de natuurkundige en Nobelprijswinnaar Eugene Wigner het artikel ‘The unreasonable effectiveness
of mathematics in the natural sciences’. In verband met de mysterieuze bruikbaarheid van wiskunde binnen de
quantummechanica liet hij zich ontvallen: ‘Het is moeilijk de indruk te vermijden dat we hier stuiten op een
wonder!’ Ook een evolutionaire verklaring bevredigde hem niet – de opvatting dus dat de natuurlijke selectie mensen
uitrustte met de juiste gereedschappen om in deze wereld effectief te kunnen functioneren (Howell & Bradley, 375). De Heer van het heelalHet kan stimulerend zijn ook op deze manier eens na te denken over het christelijk geloof. Ik ken twee
oud-studenten theoretische natuurkunde die onafhankelijk van elkaar christen zijn geworden na diep nagedacht te
hebben over de wonderbaarlijke orde in de schepping. Zij vroegen zich af: Waarom sluiten wiskundige berekeningen
zo precies aan op de werkelijkheid? Hoe komt het dat een atoom niet uit elkaar valt? Hoe is het mogelijk dat wij
exact het reistraject kunnen uitreken van een ruimteschip van de aarde helemaal naar de maan, en andersom? Geraadpleegde literatuurThomas Dubay, The Evidential Power of Beauty: Science and Theology Meet (Ignatius Press 1999). | ||||||||||