Gaten in onze kennis

Evert van der Heide
Uit: Cv Koers nr. 1 (januari 2009), EB Media, blz. 34-36

Gevormd door sterrenstof van René Fransen past in deze tijd. Het is lang rustig geweest aan het front, maar sinds 2005 is er rond de discussie schepping versus evolutie weer leven in de brouwerij. De wetenschap heeft recent grote stappen gemaakt. In de kosmologie is de achtergrondstraling in detail in kaart gebracht en in de biologie blijken de processen in de cel, inclusief DNA en moleculaire machientjes, veel ingewikkelder te zijn dan oorspronkelijk werd gedacht.
Maar er zijn ook nieuwe vragen opgekomen, die misschien fundamenteler zijn dan Fransen aanneemt. Mijns inziens worden deze nieuwe vragen in Gevormd door sterrenstof gebagatelliseerd.

De nieuwe ontwikkelingen en de steeds groter wordende plaats die wetenschap in onze samenleving inneemt, vraagt opnieuw bezinning over de vraag of het geloof – ook dat in een schepping – botst met de wetenschap.
Het heeft alles te maken met uitgangspunten, met de vraag hoe groot de plaats is die wijzelf de wetenschap toekennen, en die we het geloof toekennen. Wetenschap, samen met technologie en organisatie, zijn er om de mens te dienen. Maar ze krijgen steeds meer de neiging om ons denken te domineren, of zelfs als ideologie ons doen en laten te dicteren.

In dit artikel zal ik mij echter beperken tot een meer technische evaluatie van vragen rond schepping en evolutie.

Horloge op de hei


Het argument van complexiteit wordt door creationisten al heel lang gebruikt als aanwijzing of bewijs voor het bestaan van God, en even zo lang door anderen bestreden. Meerdere voorbeelden worden in Gevormd door sterrenstof beschreven, helaas zonder helder onderscheid.

Een oud voorbeeld om evolutie te ontkrachten, is dat van de horloge dat gevonden wordt op de hei. Dat horloge kan toch niet door toeval ontstaan zijn? Er moet een horlogemaker geweest zijn. Hetzelfde geldt voor het leven, dat veel complexer is dan een horloge. Dit is een bewijs volgens het principe van analogie: het zou vergelijkbaar kunnen zijn. Maar dat is niet noodzakelijkerwijs zo. En het is niet moeilijk om voorbeelden van analogie te bedenken die niet opgaan.

Een ander argument tegen evolutie wordt geleverd door de kansberekening. Dit argument is vooral sinds de jaren zestig relevant geworden, toen de codering van DNA en de vorming van eiwitten ontdekt werden. De kans dat een bepaalde DNA-reeks of een eiwit gevormd wordt, is zo klein, dat de miljoenen jaren die daarvoor beschikbaar zijn volgens de evolutie, te kort zijn, zo luidde het argument. Het blijft echter discutabel of de vorming van een eiwit echt onwaarschijnlijk of onmogelijk is.

Onherleidbaar complex


Biochemicus Michael Behe ging een stap verder. Hij introduceerde het begrip onherleidbare complexiteit. Neem een deel van een organisme, zoals bijvoorbeeld de zweepdraad van een bacterie. Zo’n deel bestaat uit meerdere onderdelen die afzonderlijk geen functie hebben en die tegelijk aanwezig moeten zijn voor het functioneren van het geheel. Dit onderdeel kan niet geleidelijk door toeval zijn ontstaan, omdat er geen functionele tussenvormen zijn. Het moet in één keer in elkaar gezet zijn. En daar is een ontwerper voor nodig.
Deze stelling is echter moeilijk na te rekenen en ze leidt daarom snel tot een welles-nietes situatie.

Filosoof en theoloog William Dembski, een van de voorvechters van Intelligent Design, heeft dat ingezien. Hij definieerde het begrip gespecificeerde complexiteit. Complexiteit kan misschien nog toevallig ontstaan, maar een betekenisvolle (gespecificeerde) complexiteit niet. Daar moet een intelligent(e) ontwerp(er) achter zitten.
Dembski ontwikkelde een formule om de mate van onwaarschijnlijkheid van het ontstaan van een organisme door evolutie te kwantificeren. Zijn conclusie: evolutionaire ontwikkeling is hoogst onwaarschijnlijk.

Ten slotte heeft Michael Behe de begrenzing van evolutie vastgesteld, aan de hand van waarnemingen bij malaria. Hij constateert dat er door toevallige variatie en natuurlijke selectie slechts in beperkte mate nieuwe eigenschappen kunnen ontstaan. Dat biedt te weinig ruimte om de ontwikkeling van de evolutionaire stamboom te onderbouwen.

Analogie, kansberekening, onherleidbare complexiteit, gespecificeerde complexiteit en observatie van grenzen aan variatie en selectie: het zijn allemaal verschillende invalshoeken om de discussie rond evolutie en creationisme te benaderen.

Onwetendheid


Fransen geeft ook aan dat Intelligent Design gevoelig is voor de beschuldiging van het ‘argument vanuit onwetendheid’: de theorie biedt geen wetenschappelijke verklaring voor complexiteit, en dat zou een zwak punt zijn.
Het zou natuurlijk kunnen dat deze verklaring voor complexiteit in de toekomst nog gaat komen, stelt Fransen, zoals de kwantummechanica ooit als aanvulling op de klassieke natuurkunde kwam. Maar toch.

Mijn inschatting is dat we hier niet te maken hebben met een nog ontbrekend onderdeel in een theorie, maar met de grenzen van de natuurwetenschap. Deze wetenschap beperkt zich tot waarneembare gegevens en theorievorming.
De kans bestaat dat er geen wetenschappelijk te onderbouwen verklaring bestaat voor een ontwerp. Maar dan is onze ‘onwetendheid’ het gevolg van ons opgelegde – wetenschappelijke – beperking vooraf. De werkelijkheid is breder dan alleen het naturalisme. Dit sluit trouwens aan bij wat Fransen ook zegt, dat als we van naturalisme uitgaan, “de conclusie: ‘Ik zie God niet’ natuurlijk weinig verassend is”.

Vooralsnog zijn de reacties op Intelligent Design vooral heftig en emotioneel. Mensen negeren de theorie of zeggen dat ‘het nog wel bijdraait’. Maar er zijn nauwelijks inhoudelijke reacties.
De gespecificeerde complexiteit zoals gedefinieerd door Dembski is niet verklaarbaar vanuit variatie en selectie, of andere recentere principes binnen de evolutietheorie. Het wijst op ontwerp. En de observaties van Behe rond de grenzen van variatie en selectie bevestigen dit.

Vragen over de tijd


Complexiteit is – per definitie – ingewikkeld. Maar de discussie over de tijdrekening is zo mogelijk nog ingewikkelder. Het gaat dan vooral om kosmologie en de geologische datering.

Fransen beschrijft de kosmologie zoals die vandaag breed aanvaard wordt en gaat ervan uit dat deze theorie, met eventueel toekomstige aanpassingen, wel stand zal houden. Maar hoe zeker is dat, gezien de lange lijst van onzekerheden waarmee de kosmologie worstelt?
Hoe zit het met de extreme uitdijing van het heelal in de eerste seconde? Met de vorming van meer materie dan antimaterie? Met de achtergrondstraling die zo homogeen is dat de vorming van sterrenstelsels moeilijk verklaarbaar is? Met de aard van de zwaartekracht, de veronderstelling van donkere materie, het gegeven dat het heelal zich nu sneller uitbreidt dan vroeger (versnellende expansie)?

Ik ben er minder zeker van dan Fransen dat de huidige kosmologie stand zal houden. Op ten minste twee punten vallen nieuwe inzichten te verwachten: de lichtsnelheid en de roodverschuiving.

Een fundamentele aanname in de fysica sinds Einstein is dat de lichtsnelheid constant is, onafhankelijk van de snelheid van de waarnemer. Maar als het licht vroeger een hogere snelheid had dan nu zou dat de leeftijd van het heelal terug kunnen brengen. En er zijn aanwijzingen dat de lichtsnelheid vroeger hoger was.

Een andere waarneming die keer op keer is bevestigd, is de periodiciteit in de roodverschuiving. Het lijkt – op basis van de roodverschuiving – alsof sterren op vaste periodieke afstanden van de aarde staan. Maar recente inzichten maken duidelijk dat er een kans bestaat dat er een beperkte – of zelfs geen – relatie bestaat tussen roodverschuiving en afstand. Als dit waar zou blijken, zou dit grote consequenties voor het kosmische model hebben.

Jongere aardlagen?


Als het gaat om de geologische tijdrekening worstelen creationisten al een lange tijd met de radiodatering. Het RATE-project is de meest recente bijdrage in deze discussie. Het heeft de wetenschap voor moeilijke vragen gesteld, waarover het laatste woord nog niet is gesproken.

Zo maken recente gegevens duidelijk dat de aardlagen mogelijk jonger zijn dan de geologische tijdrekening aangeeft. Er zijn rode bloedcellen aangetroffen in niet volledig gefossiliseerde botten van dinosauriërs, tegelijk met cellen van bloedvaten die nog een aanwijzing bevatten voor een celkern, en botvormende cellen (osteocyten). Dat zou kunnen wijzen op een recentere leeftijd van deze aardlagen.

Ook de aanwezigheid van nog levende bacteriën of levensvatbare sporen van bacteriën in oude aardlagen kunnen wijzen op een jongere leeftijd. Het blijft echter vooralsnog bij enkele signalen: een alternatief creationistisch model voor tijdrekening ontbreekt.

Strijdbijl


Kan de bijl in de strijd rond schepping en evolutie nu begraven worden? Als we het standpunt van Fransen volgen: ja. Dan aanvaarden we een oud heelal, een oude aarde en een geleidelijke evolutie.
Toegegeven, de speelruimte voor alternatieve standpunten wordt steeds verder ingeperkt. Maar er zijn tegelijk nog zoveel onzekerheden en gaten in de huidige kennis dat ik betwijfel of het bijbelse mens- en wereldbeeld daarop moet worden aangepast. Dat neemt niet weg dat er een belangrijke discussie gevoerd wordt en dat bezinning continu nodig blijft.


Noot

Dit artikel is een reactie op het artikel van René Fransen uit CV Koers 1 (januari 2009) en diens boek ‘Gevormd door sterrenstof’.
Dr. Evert van der Heide (1961) is chemicus en werkzaam als industrieel onderzoeker. Hij schrijft op persoonlijke titel.



© 2006-2008 www.mijn-eigen-website.nl