Heeft de wetenschap God weerlegd?

Door Alister McGrath
Uit: Dawkins als misvatting (2008), Ten Have, blz. 35-37

Bestel dit boek

Aan God als misvatting van Dawkins ligt de overtuiging ten grondslag dat de wetenschap God heeft weerlegd. Mensen die nog in God blijven geloven zijn obscurantistische, bijgelovige reactionairen die zich keren tegen de glorieuze opmars van de wetenschappen, die God zelfs uit de kleinste gaatjes van ons begrip van het heelal heeft verdreven. Atheïsme is de enige keuzemogelijkheid voor een serieus, progressief en weldenkend persoon.

Maar zo eenvoudig ligt het niet – en praktisch alle natuurwetenschappers met wie ik over deze kwestie gesproken heb weten dit. We hebben er al melding van gemaakt hoe Stephen Jay Gould elke overhaaste koppeling van wetenschappelijke topprestaties met een atheïstisch geloof van de hand wijst.
In God en Darwin heeft Gould, op basis van de religieuze opvattingen van vooraanstaande evolutionair-biologen, opgemerkt: ‘Of de helft van mijn collega’s is oliedom, of de wetenschap van het darwinisme is volledig verenigbaar met conventionele religieuze overtuigingen – en even goed verenigbaar met atheïsme.’(1) Zoals ik in Dawkins’ God heb aangegeven is deze opmerking van Gould terecht, en algemeen geaccepteerd: de natuur kan zowel op een theïstische als op een atheïstische manier geïnterpreteerd worden – maar vereist geen van beide. De wetenschap maakt deze beide interpretaties op een geldige wijze mogelijk.

Het feit dat de meest vooraanstaande evolutionair-bioloog van Amerika een dergelijke uitspraak gedaan heeft, is Dawkins een doorn in het oog. Hoe kon hij zoiets beweren? Dawkins wijst de ideeën van Gould van de hand zonder ze serieus in beschouwing te nemen. ‘Ik kan domweg niet geloven dat Gould veel van wat hij in God en Darwin heeft geschreven echt zo bedoeld heeft.’(2)
Deze geloofsbelijdenis komt bij Dawkins in plaats van een inhoudelijke reactie. Maar daarmee kom je er niet. Wat Gould heeft alleen maar het algemeen geaccepteerde gezichtspunt onder woorden gebracht dat de wetenschap aan beperkingen onderhevig is. Tot grote ergernis van Dawkins is hetzelfde gezichtspunt te vinden in het bewonderenswaardige Cosmic Habitat van Sir Martin Rees, waarin hij er (volstrekt redelijk) op wijst dat enkele laatste vragen ‘buiten de wetenschap liggen’.(3) Gezien het feit dat Rees de president is van de Royal Society, waarin de Engelse topwetenschappers verenigd zijn, verdienen zijn opmerkingen zorgvuldige en kritische aandacht.

De fundamentele kwestie waarvoor de natuurwetenschappen zich gesteld zien, is hoe ze inzicht moeten krijgen in een zeer complexe, meerdimensionale en meervoudig gelaagde werkelijkheid. Deze kwestie is intensief besproken door wetenschapsfilosofen, en vaak genegeerd door mensen die de wetenschap om persoonlijke redenen willen voorstellen als de enige begaanbare weg naar echte kennis. En vooral haalt zij diegenen onderuit die een simplistische redenering ophangen over het wetenschappelijk ‘bewijs’ of de wetenschappelijke ‘weerlegging’ van zaken als de betekenis van het leven of het bestaan van God.
De natuurwetenschappen berusten op inductieve inferentie, die een zaak is van ‘het afwegen van gegevens en het beoordelen van waarschijnlijkheid, niet van bewijs’.(4) Er is sprake van onderling wedijverende verklaringen op elk niveau van het menselijk streven de wereld in beeld te brengen – van de bijzonderheden van de kwantummechanica tot wat Karl Popper aanduidde als ‘uiteindelijke vragen’ naar betekenis.

Dit betekent dat de grote levensvragen (waarvan sommige ook wetenschappelijke vragen zijn) niet met enige mate van zekerheid beantwoord kunnen worden. Elke gegeven verzameling waarnemingen kan door een aantal theorieën verklaard worden.
Om het jargon van de wetenschapsfilosofie te gebruiken: theorieën worden door de gegevens niet volledig gedetermineerd. Dan rijst de vraag: welke criteria kunnen we gebruiken om tussen deze theorieën te beslissen, vooral wanneer ze ‘empirisch equivalent’ zijn? Eenvoud? Schoonheid? Het debat over deze vraag woedt zonder oplossing voort. En de uitkomst van dit debat is voorspelbaar: de grote vragen blijven onbeantwoord. Er kan geen sprake zijn van een wetenschappelijk ‘bewijs’ voor uiteindelijke vragen. Ofwel we kunnen ze niet beantwoorden, ofwel moeten ze op een andere dan wetenschappelijke gronden beantwoorden.


Eindnoten


1. Gould: ‘Impeaching a self-appointed judge’. Voor een uitvoeriger bespreking van deze kwesties zie Stephen Jay Gould, Rocks of Ages: Science and Religion in the Fullness of Life. Londen: Vintage, 2002
2. Dawkins: God Delusion, blz 57
3. Voor Dawkins geprikkelde reactie die niet behoorlijk ingaat op de kwestie, zie God Delusion, blz 56
4. Ik ontleen dit aan een van de beste recente besprekingen van deze vraag: Peter Lipton, Inference to the best explanation. 2e druk, Londen: Routledge, 2004, blz 5

© 2006-2008 www.mijn-eigen-website.nl