Over de lectuur van het Oude Testament

Door Alister McGrath
Uit: Dawkins als misvatting (2008), Ten Have, blz. 96-99

Bestel dit boek

Mannen als Dawkins nemen een sterk negatieve houding aan tegenover de Bijbel, op grond van een over het algemeen oppervlakkige beschouwing van de voornaamste thema´s en ideeën uit de Bijbel, en van een bedroevend tekortschietende kennis van de tekst zelf. Wanneer Dawkins ons voorhoudt dat Paulus de brief aan de Hebreeën heeft geschreven kunt u zich voorstellen hoe slecht het met deze kennis gesteld is.(1)

Vooral zijn hoogst selectieve(2) bespreking van de Hebreeuwse geschriften wordt gekenmerkt door woede en verontwaardiging, en het is mogelijk dat veel van zijn lezers deze gevoelens zullen delen. Je kunt je Dawkins’ verbijstering voorstellen bij de lectuur van passages uit de Thora waarvan hij beweert dat ze uiting geven aan vrouwenhaat, wraakzucht tegenover vijanden en een onbegrijpelijke nadruk leggen op merkwaardige obsessies als bloedoffers en rituele zuiverheid.

Natuurlijk vinden veel moderne joodse en niet-joodse lezers veel gedeelten van de Hebreeuwse geschriften raadselachtig, en misschien stuitend, op grond van hun culturele afstand van een lang vervlogen tijdperk. Historisch gesproken is het belangrijk in te zien dat deze oude teksten zijn ontstaan bij een volk dat strijd moest leveren om zijn groepsidentiteit of nationale identiteit tegenover een bedreiging van alle kanten in stand te houden.
De leden van dit volk probeerden hun menselijke situatie betekenis te geven in relatie tot een God wiens natuur hun denken zich in de duizend jaar waarbinnen deze teksten mondeling en schriftelijk tot stand zijn gekomen, steeds verder heeft ontwikkeld.

De passages die Dawkins zo schokkend vindt hebben hun plaats naast ander materiaal in de Torah dat hij negeert, en dat handelt over vergeving en medelijden – over wetten die aandringen op gastvrijheid voor vreemden (Deuteronomium 10:17-10), grenzen stellen aan wraakoefening (Exodus 2), slavernij verbieden (Leviticus 25), een jubeljaar afkondigen waarin schulden worden kwijtgescholden (Leviticus 25) en kinderoffers verbieden (Leviticus 18:21, 20:2). Hij negeert ook de profeten en wijsheidsliteratuur, waarin de hoogtepunten van het joodse moderne denken zijn uitgedrukt – in inzichten die het menselijk streven naar morele waarden nog steeds vormen en voeden.

Hoe moeten we de Hebreeuwse geschriften dan beoordelen? Dawkins eist terecht dat er een extern criterium moet zijn voor de interpretatie voor deze teksten.(3) Maar hij lijkt zich er niet van bewust te zijn dat er al zo’n criterium bestaat – het leven en de lering van Jezus van Nazaret.

Christenen baseren deze benadering op de lering van Jezus zelf, die zich beschouwde als iemand die gekomen was om de joodse wet te vervullen, niet om deze af te schaffen (Matteüs 5:17). Dawkins is van mening dat Jezus het Oude Testament als verkeerd beschouwde, als iets wat verbeterd moest worden.
Maar Jezus beschouwde zichzelf als degene die het Oude Testament vervulde, en daarmee transformeerde. Om een bekend beeld uit het Nieuwe Testament te gebruiken: Jezus schiep de wijn van de evangeliën niet uit het niets, maar nam het water van de joodse wet en herschiep dit tot iets beters.

De Hebreeuwse geschriften worden gelezen en geïnterpreteerd door een christologisch filter of prisma. Dit is de reden waarom christenen de cultische regels die in de bladzijden van het Oude Testament beschreven staan niet uitvoeren – en ook nooit hebben uitgevoerd.(4)

Zoals je mag verwachten gaat Dawkins hieraan voorbij door te benadrukken dat het serieus nemen van de Bijbel met zich meebrengt dat we ‘de sabbat strikt in acht nemen en (…) het terecht en gepast vinden om iemand die dit nalaat te executeren’. Of ‘ongehoorzame kinderen ter dood brengen’.(5)
Dawkins weet dat dit niet waar is; genoeg christenen hebben hem dat gezegd. Zijn herhaling van deze onzin strekt hem niet tot eer en doet vermoeden dat hij verwacht dat zijn lezers serieus zullen geloven dat christenen de gewoonte hebben mensen te stenigen. Deze uitspraken moeten nodig aan de werkelijkheid getoetst worden.

Eindnoten


1. Dawkins, God Delusion, 253. Er wordt al een paar honderd jaar aangenomen dat Paulus niet de auteur is van deze brief.
2. Twaalf van de veertien Bijbelplaatsen die Dawkins citeert zijn ontleend aan de Thora. De andere twee zijn ontleend aan Richteren; geen van de citaten komt uit een van de overblijvende boeken van het Oude Testament.
3. Dawkins, God Delusion, 243
4. Voor de basiselementen zie Joel Marcus, The Way of the Lord: Christological Exegesis of the Old Testament in the Gospel of Mark. Edinburg: T&T Clark, 1993.
5. Dawkins, God Delusion, 249-250

© 2006-2008 www.mijn-eigen-website.nl