Het onderwijs en de daden van Jezus

Door James K. Hoffmeier
Uit: De archeologie van de Bijbel (2009), Ark Media, blz. 147-151, ISBN: 978 90 338 1879 0

Bestel dit boek


Jezus was een rondtrekkend leraar en wonderdoener die in synagogen, in de open lucht bij het meer van Galilea en in de tempel te Jeruzalem leerde. Met zijn gelijkenissen en uit het leven gegrepen illustraties imponeerde en verblufte Hij zijn gehoor. Archeologisch materiaal uit de eerste eeuw n. Chr. kan de eenentwintigste-eeuwse lezer helpen Jezus' onderricht te begrijpen en hem of haar een beter beeld geven van de setting waarin een en ander zich afspeelt. Hier zijn een paar voorbeelden.

Het hoogste punt van de tempel

Toen Jezus aan het begin van zijn bediening verzocht werd door Satan, 'nam de duivel hem mee naar de heilige stad en zette Hem op het hoogste punt van de tempel'. Daar spoort hij Jezus aan om naar beneden te springen (Matteüs 4:5-6). Men neemt algemeen aan dat de evangelist de zuidoosthoek van de Tempelberg in gedachte had. Tegenwoordig geven de resten van de muren uit de islamitische periode enigzins een indruk van het hoogteverschil tussen de hoogste hoek en het Kidrondal in de diepte.
Bij de tempel van Herodes zag het er nog imposanter uit doordat het zuilenportaal dat als ingangshal diende aan de zuidkant van het complex het hoogteverschil nog groter maakte. Josephus, die schreef in de twee decennia na de val van Jeruzalem in 70 n.Chr., beschrijft deze hoek waarop hij ongetwijfeld heeft gestaan als jongeman. De 'hoogte van het portaal erboven [boven de hoek],' aldus Josephus, 'was zo enorm dat als iemand van het dak omlaagkeek de combinatie van de twee hoogten hem duizelig zou maken en zijn blik het einde van zo'n onmetelijke diepte niet zou bereiken.'

Het bad van Betzata of Betesda

Jeruzalem telde veel bassins. Sommige dienden voor wateropslag, terwijl er ook tientallen reinigingsbaden zijn gevonden. Johannes beschrijft een bad met vijf zuilengangen (Johannes 5:2), waar zieken en gehandicapten kwamen in de hoop op genezing. 'Betesda' betekent waarschijnlijk 'huis van de barmhartigheid'. We lezen dat Jezus er een man geneest.
Johannes situeert dit bad 'bij de schaapspoort' (Johannes 5:2), dus de setting is vrij zeker. Deze poort stond ten noorden van de Tempelberg. De 'koperen rol' van Qumran, die van vóór 70 n.Chr. dateert, spreekt van Bet-Esdatajin, wat 'huis van de twee baden' betekent. Juist in deze omgeving zijn de resten van twee baden gevonden, waarvan het eerste aan de zuidkant naar schatting 66 meter en aan de noordkant 59 meter breed is, terwijl de oost- en westkant 49 meter zijn. Het tweede bad is iets kleiner.

Het badhuis van Siloam

Toen Jezus eens een blinde man genas, liet Hij hem naar het badhuis van Siloam gaan om zijn ogen te wassen (Johannes 9:7). Er wordt al een aantal eeuwen gedacht dat dit het bad bij de monding van Hizkia's tunnel was, maar er is nooit archeologisch bewijs aangevoerd dat dit bad al bestond in de tijd van het Nieuwe Testament. De huidige gegevens suggereren echter dat dit bad in gebruik is sinds de Byzantijnse periode (dus sinds de derde of vierde eeuw n.Chr.).
Toen rioolwerkers in de zomer van 2004 net ten zuiden van het bad greppels aan het graven waren om buizen te installeren, stuitten ze onverwachts op eeuwenoude blokken. Er werden archeologen bijgehaald om het bouwsel uit te graven. Het bleek een groot bad te zijn. Er is nog maar een klein deel van het bad blootgelegd, want het ligt grotendeels onder een boomgaard van de Grieks-orthodoxe Kerk. Op basis van twee hoeken en de ruimte ertussen weet men dat het bad ca. 70 meter breed is. De lengte blijft helaas onbekend, maar er is genoeg van het bad blootgelegd om inzicht te hebben in het ontwerp en de ontstaansdatum.

Het bad zelf is gemaakt van gladde kalksteenblokken. Driemaal vijf treden, onderbroken door twee 'bordessen', leiden naar de bodem van het bad. Toen ze enkele blokken weggehaald hadden, beseften de archeologen dat er een ouder bad met gepleisterde treden onder lag. Met een metaaldetector werden vier munten in het pleister gevonden. Ze dateren uit de Hasmonese periode, om precies te zijn uit het bewind van Alexander Jannaeus (103-76 v.Chr.). Dit bad is vermoedelijk gegraven tijdens de eerste eeuw v.Chr.
De bouwdatum van het met stenen beklede bad blijft onzeker, maar ter plekke gevonden munten en aardewerk doen vermoeden dat het tot de val van Jeruzalem in 70 n.Chr. volop in gebruik was. Omdat het onder in het dal ligt, zal het daarna snel verzand zijn geraakt en werd de locatie vergeten. Het met stenen beklede bad was hoogstwaarschijnlijk het Badhuis van Siloam uit Jezus' tijd. Het bad vergaarde niet alleen water uit de Gichonbron dat door Hizkia's tunnel stroomde, maar het diende waarschijnlijk ook als een van de vele mikwes of reinigingsbaden voor de tempel in Jeruzalem.
Er is verder onderzoek gepland, dat hopelijk antwoord zal geven op de resterende vragen omtrent de datering. De opgravers speculeren dat het oudere bad uit Hizkia's tijd zich wellicht onder dit bad of ergens in de buurt bevindt.

Wijnvaten

Op een bruiloft in Kana in Galilea (een klein dorpje tussen Nazaret en Sepforis) deed Jezus zijn eerste wonderteken: Hij veranderde water in wijn. Volgens Johannes 2:6 waren er zes stenen watervaten 'voor het Joodse reinigingsritueel'. Zulke stenen vaten zijn ontdekt bij opgravingen in Jeruzalem in een groot huis dat in 70 n.Chr. verwoest en verbrand is door de Romeinen.
Op de locatie van Kana zelf (Khirbet Kana) zijn vergelijkbare stenen vaten gevonden bij opgravingen die in 1998 zijn begonnen. Deze enorme vaten werden gemaakt uit één blok steen en rondgedraaid op een draaischijf. In het geval van de bruiloftsgasten stonden de watervaten er waarschijnlijk om de handen te wassen voor het feestmaal.

Schaapskooien

In het beroemde bijbelgedeelte waarin Jezus zichzelf de goede herder noemt, beschrijft Hij hoe zijn schapen de schaapskooi in- en uitgingen. Dan verklaart Hij: 'Ik ben de deur voor de schapen' (Johannes 10:7). Eerder in dit hoofdstuk kwamen we al een hok voor vee tegen. Wat bedoelde Jezus toen Hij zei dat Hij de deur van de kooi was?
Enkele jaren geleden stuitte een professor met wie ik bevriend ben op een wandeltocht in de heuvels van Judea op een stenen schaapskooi. Hij zag de herder en begroette hem in het Arabisch. Toen hij merkte dat de kooi helemaal geen deur of hek had, vroeg hij aan de herder: 'Waar is het hek?' waarop de Arabische bedoeïen antwoordde: 'Ik ben het hek!'
Door deze simpele ontmoeting (een geval van etnoarcheologie) begreep de bijbelgeleerde meteen dat deze herder, net als Jezus tweeduizend jaar geleden, verklaarde dat hij de beschermer van de schapen was. Er was geen fysieke deur nodig.

Wijnzakken

In Matteüs 9:17 zegt Jezus als Hij het over de verandering in mentaliteit heeft die zijn nieuwe leer vereist: 'Evenmin giet men jonge wijn in oude leren zakken.' In oudtestamentische tijden gebruikte men dierenhuiden voor water (Genesis 21:14), melk (Rechters 4:19) en wijn (1 Samuël 1:24, 10:3). Omdat ze snel vergaan, vindt men zelden dierenhuiden met vloeistoffen erin, maar in zeer droge streken zijn wel huiden gevonden. Normaal gaat het om schapen- of geitenvellen, en er zijn er een paar uit de tijd van de Bijbel bewaard gebleven.

Molenstenen

'Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd' (Marcus 9:42). Deze bijtende aanklacht van Jezus spreekt des te meer als je kijkt naar de basaltstenen die men gebruikte om olijven te persen voor olie of graan voor bloem. De grootste stenen werden rondgedraaid door een ezel.

Lampen

Veel bijbelse voorbeelden en illustraties verwijzen naar lampen. Als de psalmist zegt: 'Uw woord is een lamp voor mijn voet,' denk je misschien aan een zaklamp of een lantaarn met een kaars erin. Maar dat klopt niet. Gedurende de periode van het Oude Testament werden lampen van klei gemaakt: een kleine kom (ca. 15 centimeter in doorsnee) met de rand naar binnen gebogen om een tuit te maken. Olijfolie diende als brandstof (Exodus 25:6, 27:20); in de tuit deed men een vlasdraad, waarna de pit werd aangestoken.

Toen de oudtestamentische periode ten einde liep, werden de lampen steeds kleiner en de tuit geprononceerder. Deze ontwikkeling zette zich voort, en als Jezus het in de eerste eeuw n.Chr. in zijn gelijkenissen over lampen heeft (Marcus 4:21; Lucas 11:33), zijn ze nog steeds van klei, maar is de tuit nu helemaal dicht en elliptisch of rond van vorm. De olie werd nu door een klein of iets groter gaatje in het midden van de lamp, vaak in een holronde holte, gegoten. De bovenkant van lampen was meestal decoratief vormgegeven.
Naast abstracte en bloemenpatronen hadden lampen soms religieuze symbolen, zoals een menore of een kruis in de christelijke tijd. Er zijn uit alle perioden lampen gevonden met zwarte roet rond de tuit, waaruit blijkt dat ze echt gebruikt zijn. De lampen gaven maar heel weinig licht. Er zijn lampen gevonden met meer dan een tuit. Die gaven meer licht; ze werden waarschijnlijk in openbare gelegenheden gebruikt.


Overgenomen met toestemming van de uitgever.



© 2006-2008 www.mijn-eigen-website.nl