| ||||||||
De mogelijkheid van wonderenDoor C.S. Lewis Iedere dag kun je wel iemand (en niet per se iemand die niet in God gelooft) horen zeggen: 'Nee, natuurlijk geloof ik dat niet. Wij weten toch dat het
tegen de natuurwetten ingaat. De mensen konden daar vroeger in geloven omdat zij niets van de natuurwetten wisten. Wij weten dat het wetenschappelijk gezien
tot de onmogelijkheden behoort.' Gesteld dat wonderen kunnen gebeuren, dan is het natuurlijk aan de ervaring om te zeggen of er in een bepaald geval inderdaad een gebeurd is. Maar ervaring zonder meer, zoals gedurende een periode van een miljoen jaar, kan ons niet vertellen of ze mogelijk zijn. Proeven laten zien war er als regel in de natuur gebeurt: de norm of regel volgens welke zij werkt. Wie in wonderen gelooft, ontkent niet dat er zo'n norm of regel bestaat; hij zegt alleen dat die tijdelijk buiten werking kan worden gesteld. Een wonder is per definitie een uitzondering. Hoe zou je door het ontdekken van de regel te weten kunnen komen of die regel, gegeven een toereikende oorzaak, buiten werking te stellen is? Als wij zeggen dat A de regel is, zou de ervaring dit kunnen tegenspreken door de ontdekking dat B de regel is. Als wij zeggen dat er geen regel is, dan zou de ervaring dit kunnen tegenspreken door er een te laten zien. Maar wij zeggen niets van dit alles. Wij zijn het er over eens dat er een regel is en dat die regel B is. Wat heeft dit te maken met de vraag of die regel buiten werking kan worden gesteld? U zegt dan: 'De ervaring wijst toch uit dat het nooit is gebeurd?' Wij zeggen dan: 'Ook al was dat waar, dan nog zou dat niet bewijzen dat het nooit kan gebeuren. Maar wijst de ervaring het uit? De wereld is vol verhalen van mensen die zeggen wonderen te hebben meegemaakt. Misschien zijn die verhalen niet waar, misschien ook wel. Maar voordat je in die geschiedkundige kwestie een beslissing kunt nemen, moet je eerst erachter komen of het waar-zijn tot de mogelijkheden behoort, en zo ja hoe waarschijnlijk het is.' Het idee dat de vooruitgang van de wetenschap op de een of andere manier iets aan deze kwestie veranderd heeft, is nauw verbonden met het idee dat de
mensen 'vroeger' in die verhalen geloofden 'omdat zij niets van de natuurwetten wisten'. Zo zul je horen: 'De vroege christenen geloofden dat Christus de
zoon van een maagd was, maar wij weten dat dit wetenschappelijk gezien onmogelijk is.' Wie dat zegt, denkt blijkbaar dat het geloof in wonderen opkwam in een
tijd waarin men zo weinig van de gang der natuur wist, dat men niet inzag dat een wonder daarmee in strijd was. Je hoeft maar heel even na te denken om te
begrijpen dat dit onzin is; en het verhaal van de maagdelijke geboorte is een wel zeer treffend geval. Ongetwijfeld weet de moderne gynaecoloog verschillende dingen over geboorte en bevruchting die Jozef niet wist. Maar die dingen betreffen niet de hoofdzaak,
namelijk dat een maagdelijke geboorte tegen de natuurwetten ingaat. En dat wist Jozef natuurlijk. Alles wat wij kunnen bedoelen met de woorden 'Het
is wetenschappelijk gezien onmogelijk' zou hij ons hebben nagezegd. Het was altijd al iets onmogelijks en men had altijd al geweten dat het onmogelik was
tenzij de regelmatige natuurprocessen in dit speciale geval terzijde geschoven zouden zijn, of aangevuld door iets van buiten de natuur. Als er al ooit mensen zijn geweest die niets van de natuurwetten wisten, zouden zij geen besef van wonderen hebben gehad en geen bijzondere interesse voor een wonder hebben gehad ook al zou het zich voor hun ogen afspelen. Niets kan buitengewoon zijn voordat je erachter bent wat gewoon is. Het geloof in wonderen, wel verre van te berusten op onwetendheid over de natuurwetten, is slechts mogelijk in zoverre die wetten bekend zijn. Wij hebben al gezien dat je door het bovennatuurlijke uit te sluiten ook geen wonderen te zien zult krijgen. Wij moeten hier nu aan toevoegen, dat je evenmin wonderen zult zien zolang je niet gelooft dat de natuur volgens vastgestelde wetten te werk gaat. Als je nog nooit hebt opgemerkt dat de zon altijd in het oosten opgaat, zul je er niets verwonderlijks in zien als hij op een goede morgen in het westen opgaat. Als wonderen ons gepresenteerd werden als regelmatig voorkomende gebeurtenissen, zou de vooruitgang in de wetenschap, die ons leren moet wat er in de regel gebeurt, het wondergeloof langzaam aan steeds moeilijker maken en ten slotte onmogelijk. De vooruitgang van de wetenschap heeft op deze manier (en zeer tot ons voordeel) allerlei dingen ongeloofwaardig gemaakt die onze voorvaderen geloofden: mensenetende mieren en grijpvogels bij de Scythen, mensen met één reusachtige voet, magnetische eilanden die alle schepen naar zich toe trekken, zeemeerminnen en viirspuwende draken. Maar die dingen werden nooit voorgesteld als bovennatuurlijke onderbreking van de gang der natuur. Ze werden als onderdelen van de gewone gang van zaken voorgesteld - als 'wetenschap' zelfs. Een meer gevorderde wetenchap heeft ze met recht laten verdwijnen. Met wonderen ligt het heel anders. Als er vuurspuwende draken waren, zouden onze grootwildjagers ze wel tegenkomen; maar er heeft nooit iemand beweerd
dat de maagdelijke geboorte of het wandelen van Christus over het water iets was waarmee men rekening had kunnen houden. Iets wat zich van het begin af
aandient als een eenmalige invasie in de natuur door iets van daarbuiten, kan door toenemende kennis van de natuur nooit meer of minder geloofwaardig worden
dan het aanvankelijk was. In dat opzicht getuigt het alleen maar van verwarring wanneer iemand denkt dat de opmars der wetenschap het ons moeilijker maakt
in wonderen te geloven. Dat ze tegen de natuurlijke loop der gebeurtenissen ingaan hebben wij altijd al geweten; nog steeds weten wij dat wonderen mogelijk
zijn als er iets is dat buiten de natuur staat. U en ik zullen tegen het einde van dit boek wellicht nog steeds niet eens zijn over de vraag of wonderen wel of niet gebeuren. Maar laten wij ten minste geen onzin praten. Laten wij voorkomen dat wij, bedwelmd door vage retoriek over de opmars der wetenschap, gaan denken dat gecompliceerde beschrijvingen van de geboorte in termen van genen en spermatozoa ons er pas van zullen overtuigen dat de natuur niet voor baby's zorgt bij vrouwen die 'geen man bekennen'. | ||||||||